Ranzige post in mijn inbox: “Mijn maag keert nog steeds om als ik die teruglees”
- Mauro Michielsen
- 22 feb 2024
- 3 minuten om te lezen

De dag na mijn vorige column in deze krant open ik mijn inbox op Instagram. Iemand heeft me een foto gestuurd. Op de profielfoto van de afzender is een man te zien, ik schat rond de veertig. In mijn hoofd gaan alle alarmbellen af. Ik open de foto toch. Het is een in de spiegel genomen foto van een mager mannetje. Dat zie ik omdat hij geen T-shirt aan heeft. Ook geen broek trouwens. Hij draagt een strakke blauwe onderbroek. Ik kan zijn piemel erdoor zien. Onder de foto staat “hey mauro michielsen”. Ik had de foto beter nooit geopend. Ik blokkeer de man. Daarna ga ik verder met mijn leven. Toch blijft het incident in mijn hoofd spoken. Die beelden krijg ik er niet meer uit.
Op mijn zestiende werd ik voorzitter van de Scholierenkoepel. De dag nadat ik verkozen werd, publiceerde het Nieuwsblad een portret van mij. Mijn allereerste artikel in de krant. Ik was zo trots. Tot ik de reacties las in de commentaarsectie onder het artikel en zag hoe mijn inbox op sociale media explodeerde. Honderden haatdragende berichten kreeg ik, van “woke-product!” tot “ga naar de kapper!” en “ik moet kotsen van uw gezever”. Mijn maag keert nog steeds om als ik ze nu teruglees.
Ondertussen ben ik geen voorzitter meer, maar de persoonlijke berichten zijn nooit gestopt. Het werd deel van mijn leven. Ook nu, telkens als deze column verschijnt, krijg ik berichten van onbekenden. Het grootste deel komt van leeftijdsgenoten die fan zijn van wat ik doe of zich herkennen in wat ik schrijf. Dat is geweldig. Maar er zijn dus ook ongepaste, haatdragende en grensoverschrijdende reacties. Ik heb er geen probleem mee dat mensen kritiek uiten of het inhoudelijk oneens zijn. Ik erger me wel aan de respectloze internettrollen die me op een maandagmiddag de woorden “achterlijke mongool” sturen omdat ze me in het journaal zagen – hebben die niets beters te doen? Wie daar vreugde uit haalt, moet heel verzuurd zijn.
Het ergst zijn de perverten. “Vind jou lief en sexy welkom Mouro”, aldus een man die me al zestien keer gevraagd heeft of “hij mij mag sturen?” Het zijn keer op keer oudere mensen, bijna altijd mannen, die me “lief”, “sexy” of “knap” noemen en zich afvragen of ik wil afspreken. Ik negeer ze, maar ze blijven berichten sturen. Ongevraagde hartjes-emoji’s of expliciete selfies.
Al bijna drie jaar, sinds dat eerste artikel in het Nieuwsblad, ben ik actief perverten en haters uit mijn inbox aan het zwieren. Ik was zestien toen heel dit circus begon. Zestien! De berichten die ik toen kreeg, en nu nog steeds krijg, zijn ranzig. Hoe ziek ben je als je als vijftiger met een minderjarige wil afspreken? En wat bezielt je om een jong persoon zo de grond in te boren?
Door van jongs af aan met zoveel haat en intolerantie in contact te komen, ben ik snel volwassen geworden. Tegen de kutreacties kweekte ik een schild, maar ook dat kan je nooit volledig beschermen. De reacties raken me nog steeds, elke keer een beetje. En ik ben lang niet de enige. Al mijn vrienden die wel eens in de media passeren – jongeren die hun stem laten horen in het publieke debat, wat veel moed vraagt – krijgen zulke berichten. Ze worden verondersteld een schild te kweken, alsof dat de normaalste zaak ter wereld is.
Het zou veel gemakkelijker zijn als ik mijn sociale media zou afsluiten voor de buitenwereld. Maar dat wil ik niet. Ik wil niet onbereikbaar zijn voor mensen die willen reageren op wat ik zeg of schrijf. De beste columns en opiniestukken doen emoties opborrelen, zijn hoopgevend of roepen net een gevoel van onrecht op. Blijf dus vooral reageren, maar doe dat respectvol en constructief. Achter namen in een krant zitten ook mensen.
bron: De Standaard

